Maarn-Maarsbergen

In de middeleeuwen was het gebied tussen Maarn en Maarsbergen eigendom van de Norbertijner Abdij van Berne. Er lag een kloosterboerderij op de plek waar nu Kasteel Maarsbergen staat. De streek lag op de rand van de droge zandgrond van de Utrechtse Heuvelrug en de drassige grond van de Gelderse Vallei. Norbertijner monniken en enkele pachtboeren ontgonnen de gronden. De mest voor hun landbouwgrond kwam van de runderen en schapen die ze hielden. De mest werd gemengd met heideplaggen en gemaaide heiplanten. Met de komst van kunstmest rond 1900 was er niet zo veel heidegrond meer nodig. Veel van de heidegrond werd toen beplant met bomen: eiken en grove dennen. De bosbouw was ook een bron van inkomsten, niet alleen voor brand- en timmerhout. Op de lager gelegen vochtige grond werden vooral eiken geplant. Het schors van de eikenboom werd gebruikt om er leer mee te looien. Het gebied langs de Maarnse Grindweg, was droger. Hier plantte men grote hoeveelheden grove dennen die ook op stuifzand groeien. Het hout van grove dennen wordt ‘grenenhout’ genoemd. Dit hout werd gebruikt om stutpalen te maken voor de gangen van de mijnen. Grenenhout was daar uitermate geschikt voor omdat het veel draagkracht heeft en als de druk teveel wordt, kraakt het hout voordat het breekt. Het geluid van krakend grenenhout was dus voor de mijnwerkers een waarschuwing om tijdig een veilig heenkomen te zoeken voordat een gang instortte.

Advertenties